Dissertation Summary (Dutch)

NET RECOMMENDATION:
Prudential Appraisals of Digital Media and the Good Life

Digitale media zijn een integraal onderdeel geworden van het leven van mensen (in ieder geval voor diegenen wonend in de ontwikkelde wereld), en de vergaande alomtegenwoordigheid hiervan in ons dagelijks leven roept nieuwe ethische, sociale, culturele, politieke, economische en juridische kwesties op. Hoewel veel van deze problemen al onderwerp van studie zijn voor onderzoekers, worden ze in hoofdzaak bestudeerd in termen van wat ‘goed’ of ‘rechtvaardig’ is aan digitale media en digitaal gemedieerd gebruik. Daarnaast blijven vragen over de relatie tussen digitale media en het goede leven vaak op de achtergrond. Met andere woorden, wat vaak ontbreekt is een expliciete bespreking van de relaties tussen digitale media en het goede leven, vooral in een meer evenwichtige en constructieve manier.

Onder het label van ‘Net recommendation’ (Netwerk aanbeveling) heeft deze studie tot doel een meer evenwichtige en constructieve normatieve analyse van digitale media te bieden, geconcentreerd op de relatie tussen digitale media en het goede leven. Het project ‘Net recommendation’ heeft ten doel het belang van de actuele discours te (her)bevestigen in onze normatieve analyse van de relaties tussen digitale media en het goede leven. Het onderzoek in ‘Net reccomendation’ streeft ernaar een Walzeriaanse benadering toe te passen op digitale media en het goede leven, waarin actuele discours serieus genomen wordt (en waar idealiter ook een wisselwerking ontstaat met de discours hieromtrent). Deze aanpak, zoals ik zal betogen, stelt ons in staat om een beter begrip te hebben van de normatieve oordelen over de impact die digitale media heeft (of zal hebben) op het goede leven, en maakt het ons tevens mogelijk een adequater antwoord te formuleren op de vraag ‘ hoe moeten we leven met digitale media?’. Op algemeen niveau hoop ik daarom dat dit onderzoek een bijdrage zal leveren op het gebied van ‘Information and Communication Ethics’ en kritisch onderzoek naar digitale/nieuwe media door (terug) te keren naar de vraag van het goede leven, door middel van een analyse van de relaties tussen digitale media en het goede leven .

Toch is de Walzeriaanse aanpak niet alleen bruikbaar voor de normatieve analyse van digitale media en het goede leven in een intra-culturele context, d.w.z. de kritische studie van de effecten van digitale media op het goede leven binnen een cultuur; ze is ook bruikbaar in een inter-culturele context. Met China’s internet als case study zal ik laten zien dat de relaties tussen digitale media en het goede leven binnen elke cultuur op zichzelf moeten worden onderzocht. Kortom, de Walzeriaanse aanpak is niet alleen bruikbaar op lokaal niveau, maar ook op mondiaal niveau. Op deze manier hoop ik dat dit onderzoek zal bijdragen aan de groeiende hoeveelheid onderzoek in de interculturele (en cross-culturele) onderzoeken gericht op digitale media.

In hoofdstuk een introduceer ik mijn benadering voor normatieve analyse van digitale media en het goede leven, gebaseerd op het idee van Michael Walzers’ sociale kritiek. Deze benadering wordt gekenmerkt door vijf eigenschappen, namelijk (i) hermeneutisch, (ii) immanent, (iii) participatief, (iv) empirisch en (v) pluralistisch. Deze benadering geeft actuele discussies (bijv. populaire discussie) over digitale media een serieuze rol en dringt er bij onderzoekers op aan om deze te integreren in hun normatieve analyse. Omdat de focus van mijn onderzoek ligt op de relaties tussen digitale media en het goede leven identificeer ik een specifiek soort van de actuele discussie over digitale media die relevant is voor het huidige onderzoek, dat wil zeggen prudentiële beschouwingen van digitale media. Dit hoofdstuk argumenteert dat prudentiële beschouwingen van digitale media normatief zijn, en dat hun normativiteit is gebaseerd op onze praktische identiteit (of onze zelf-interpretatie en zelf-inzicht). Ik bespreek hoe, en in welke zin, praktische identiteit de bron is van normativiteit, en maak duidelijk wat dit betekent voor normatieve analyse van digitale media en het goede leven. Tot slot wil ik het hoofdstuk afsluiten met een aanvullend argument voor de onmisbaarheid van prudentiële beschouwingen van digitale media in normatieve analyse van digitale media en het goede leven.

Zoals ik in hoofdstuk een beargumenteerde, behoudende beschouwingen van digitale media zijn normatief en hun normativiteit komt voort uit menselijke zelf-interpretatie en zelf-inzicht. Om onze normatieve oordelen over de impact van digitale media op het goede leven goed te kunnen begrijpen is het noodzakelijk om eerst de normatieve basis hiervan expliciet te maken, d.w.z. onze wijze(n) van zelf-interpretatie en zelfinzicht. In hoofdstuk twee identificeer ik drie verschillende opvattingen van ‘zelf’ in de moderne en laatmoderne samenlevingen die dit doel dienen, dat wil zeggen de ontkoppelde zelf, de expressieve zelf en de reflexieve zelf, met behulp van een bespreking van de werken van Charles Taylor, Anthony Giddens en Ulrich Beck. Tegelijkertijd identificeer ik ook de idealen (of de opvattingen van het goede leven) die deze begrippen van het zelf belichamen. Tot slot ondersteun ik mijn karakterisering van de opvattingen van het goede leven in de moderne en laatmoderne samenlevingen door te kijken naar het empirisch onderzoek van Ronald Inglehart en zijn collega’s. Het belangrijkste doel van dit hoofdstuk, kortom, is de grond te leggen voor mijn analyse van de prudentiële bschouwingen van digitale media in het volgende hoofdstuk door de in hoofdstuk twee verzamelde normatieve en evaluatieve middelen samen te brengen voor (her)interpretatie en begripsvorming.

In hoofdstuk drie pas ik de Walzeriaanse benadering toe, met gebruik van de noties van ‘zelf’ die ik heb besproken in hoofdstuk twee, op prudentiële beschouwingen van digitale media. Ik onderzoek twee combinaties van de prudentiële beoordeling van digitale media: de eerste combinatie richt zich op de impact van digitale media op cultuur en samenleving, die het leven van mensen beïnvloeden door het transformeren van de externe aspecten van hun leven; de tweede combinatie richt zich op de impact van digitale media op onze hersenen, geest en/of het concept ‘zelf’, en hoe dat het het leven van mensen beïnvloedt door verandering van hun interne leven. Meer specifiek probeer ik aan te tonen dat prudentiële beschouwingen van digitale media—en overigens elke normatieve uitspraak over de effecten van digitale media op het goede leven—het best begrepen kunnen worden vanuit de ideeën van het concept ‘zelf’. Ik heb ook proberen aan te tonen dat dit een belangrijke implicatie heeft voor normatieve analyse van digitale media en het goede leven, namelijk dat we (hernieuwd) onze aandacht moeten richten op de vraag ‘wie zouden wij moeten zijn in een digitaal-gemedieerde wereld?’

Hoofdstuk vier is gewijd aan het onderzoeken van een andere opvatting van het concept ‘zelf’, namelijk de Confucianistische zelf in (hedendaags) China. Ik betoog dat de moderne, zelfstandige en de laat-moderne concepten van ‘zelf’ zoals besproken in hoofdstuk twee ontoereikend zijn voor een uitgebreide normatieve analyse van digitale media en het goede leven, omdat ze niet eenvoudig kunnen worden toegepast op samenlevingen die andere culturele wortels hebben, en dus een ander traject van modernisering hebben gevolgd. Ik stel voor dat we het idee van singulaire moderniteit moeten verlaten en het vervangen door het idee van meervoudige moderniteiten, wat ons in staat zal stellen om het belang van verschillende culturele achtergronden te erkennen en op de juiste waarde te schatten. Met het idee van meervoudige moderniteiten in plaats van de singulaire verken ik het Confucianistische concept van ‘zelf’ en idee van het goede leven dat dit belichaamt. Vergelijkbaar met wat ik heb gedaan in hoofdstuk twee is het doel van dit hoofdstuk om de basis te leggen voor mijn analyse van de prudentiële beoordeling van digitale media in (hedendaags) China door het verkennen van de normatieve en evaluatieve middelen die beschikbaar zijn in de Confucianistische traditie.

Ik heb de Walzeriaanse benadering toegepast in een intra-culturele context in hoofdstuk drie, maar de aanpak is ook bruikbaar in een inter-culturele context. In hoofdstuk vijf heb ik laten zien hoe de Walzeriaanse benadering kan worden toegepast op mondiaal niveau. Ik analyseer de positie van de Chinese Communistische Partij aangaande het internet vanuit het Confucianistische concept van ‘zelf’, en illustreer de fundamentele rol van Confuciaanse waarden (en het Confuciaanse begrip van het goede leven) in de grondslag van China’s internet beleid en in de  normatieve oordelen in opiniestukken. Ik stel dat als het inderdaad zo is dat China’s Internet wordt gebaseerd is op een ander normatief en axiologisch fundament, namelijk het Confucianistische concept van ‘zelf’, dat dan ook de vraag ‘is het Internet goed of slecht?’, of de vraag ‘hoe we moeten leven met digitale media? ‘, anders moet worden beantwoordt—op een manier welke sociaal en cultureel sensitief is. Om dit te illustreren voeg ik een bespreking toe van sociale media vanuit het Confucianistische perspectief. Ik laat zien dat er een prima facie incompatibiliteit bestaat tussen de Confuciaanse manier van leven en sociale media, maar laat ook zien dat de incompatibilieit tussen dezen kan worden opgelost. Kortom, de boodschap van dit hoofdstuk is dat verschillende maatschappijen hun eigen normatieve analyse van digitale media met hun eigen evaluatieve en normatieve middelen nodig hebben.

Impliciet aanwezig in het project van Net recommendation en de Walzeriaanse benadering van digitale media en het goede leven is de verantwoordelijkheid die filosofen hebben om pro-actief praktische aanbevelingen te bieden aan het publiek, dat wil zeggen: gebruikers van digitale media. Het doen van aanbevelingen wordt echter vaak gezien als paternalistisch, en wordt daardoor beschouwd als moreel onwenselijk. Deze kritiek moet weerlegd worden als het project van Net recommendation of de Walzeriaanse benadering beschouwd moet worden als een (moreel) haalbare optie. In hoofdstuk zes beschouw ik deze kritiek nader. Ik stel dat het aanbieden van aanbevelingen inderdaad paternalistisch is, maar dat we dit niet moeten zien als moreel problematisch, omdat paternalisme onvermijdelijk is in onze technologisch-gemedieerde levens. Filosofen zouden dus niet moeten terugschrikken van het doen van aanbevelingen — vooral als dit alleen is om de zorg over paternalisme. Hoewel er reeds filosofen zijn die de onvermijdelijkheid van paternalisme in onze technologisch-gemedieerde levens als serieuze optie zien, wat tot uiting komt in het idee van design ethics, wil ik erop wijzen dat ook dit moet worden aangevuld met het doen van aanbevelingen. Tot slot wil ik laten zien hoe de Walzeriaanse benadering design ethics kan aanvullen, en hoe het daadwerkelijk de zorg voor paternalisme bij het doen van aanbevelingen kan minimaliseren.

Ten slotte bied ik in het epiloog een korte samenvatting van dit onderzoek en zal ik kort ingaan op een aantal praktische implicaties van het project van Net recommendation en de Walzeriaanse benadering.

Tezamen hoop ik dat deze hoofdstukken een adequate illustratie en verdediging bieden—in de vorm van de Walzeriaanse benadering—van het project van Net recommendation, namelijk een evenwichtige en constructieve manier om de relaties tussen digitale media en mensen, en met name de relaties tussen de te onderzoeken digitale media en het goede leven, die niet start met de aanname van de digitale media als bron van morele problemen, en die streeft aanbevelingen voor specifieke manieren om digitale media en digitaal-gemedieerde gebruiken te hervormen en/of transformeren die ons in staat stellen een betere relatie te hebben met digitale media, en ons dus helpen om een daarmee betere levens te leven.